Na de teelt van mais zaaien telers meestal winterrogge in als (wettelijk verplichte) groenbemester. Op lichte gronden is dit ongunstig, omdat in dit gewas de besmetting met een aantal probleemaaltjes toeneemt, zoals het maiswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi). Dit geldt vooral voor de zuidoostelijke zandgronden.
Gerst vermeerdert dit aaltje minder sterk dan rogge. In een proef in 2007-2008 hebben we onderzocht of wintergerst als groenbemester bij najaarsinzaai vergelijkbare resultaten geeft als winterrogge. In deze proef vergeleken we wintergerst, winterrogge en zwarte braak. De groenbemesters werden gezaaid op 12 september en op 1 oktober.
Als stikstofvanggewas bleek wintergerst minder goed te voldoen dan winterrogge. De gewasontwikkeling was minder en de stikstofopname in bovengrondse delen was lager. Bij beide zaaidata bleek de drogestof productie van winterrogge twee keer zo hoog als van de wintergerst, terwijl ook de stikstofopname van rogge hoger was (bij zaai in september ruim twee keer zo veel). Maar ondanks dit grote verschil in relatieve zin was er in absolute zin bij beide groenbemesters sprake van een slechts geringe stikstofopname (<40kg N/ha). In deze proef leek wintergerst de Nmin-voorraad in de bodem in het najaar minder sterk te verlagen dan winterrogge.
Zaai op 12 september gaf nog wel een verlaging, maar zaai op 1 oktober niet of nauwelijks.
Fotobijschrift: Ontwikkeling van de groenbemesters op 23 oktober 2007.
Meer informatie: Willem van Geel, willem.vangeel@wur.nl