Gewasbeschermingsmiddelen per plant doseren
De toediening van gewasbeschermingsmiddelen gebeurt doorgaans volvelds, zowel voor onkruidbeheersing als ter bestrijding van ziekten en plagen. Dit is technisch en praktisch gezien de meest logische aanpak, maar de consequentie is dat het middel ook op onbedekte grond wordt toegediend. In geval van onkruidbestrijding is er bij deze toedieningswijze geen onderscheid tussen gewas en onkruidplanten en ook bij bestrijding van ziekten en plagen wordt geen onderscheid gemaakt tussen gezond gewas en aangetast gewas. Maken we dit onderscheid wel, dan is daarmee de middeleninzet te reduceren.

Reductie van middeleninzet levert kostenbesparing op, dringt de milieubelasting terug en biedt kansen om in te spelen op eventuele toekomstige aanscherpingen in milieuwetgeving. Om deze redenen zijn we vorig jaar begonnen met onderzoek naar de mogelijkheden van pleksgewijze bespuitingen, op basis van een chlorophyl-sensor. De basis van deze techniek is afkomstig uit onkruidbestrijding op verhardingen in stedelijk gebied: het groen van de onkruidplanten wordt onderscheiden van de verharding door deze sensor.

Door sectoren van 5 x10 cm van het te bespuiten oppervlak af te tasten met sensoren op de spuitboom en per sensor een spuitnozzle te plaatsen wordt een heel gerichte en pleksgewijze bespuiting mogelijk. We hebben dit in eerste instantie toegepast voor bestrijding van aardappelopslag in suikerbieten. Hierbij werd een gewasrij van 5 cm breed ontzien, terwijl tussen de rijen de opslagplanten over een breedte van 45 cm bespoten konden worden. Dit principe bleek te werken, maar problemen ontstonden nog door drift en opspatten van het verspoten middel.

Een andere toepassing is de vroege aanpak van phytophthora in een aardappelgewas. Door alleen te bespuiten waar de plant staat is, gedurende de eerste fase van de gewasgroei, is een forse reductie van middeleninzet mogelijk; een ruimte tussen de planten op de rij en ook de ruimte tussen de rijen wordt bij de bespuiting onbehandeld gelaten. Deze aanpak is gedurende de eerste 3 tot 5 bespuitingen toe te passen en eindigt als het gewas meer bodembedekkend wordt.

Mogelijke vervolgstappen in dit onderzoek zijn de herkenning van aangetaste planten en de herkenning van onkruidplanten in het gewas. Dit zal nog een aantal jaren onderzoek vergen, maar de verwachting is dat de beschreven werkwijze relatief snel toepasbaar te maken is voor de praktijk. Veel zal hierbij afhangen van de kosten-batenverhouding en van eventuele aanscherping van regelgeving.

Meer informatie:Piet Bleeker, e pieter.bleeker@wur.nl