Niet kerende grondbewerking vraagt om aanpassing mechanisatie

Niet kerende grondbewerking is een vorm van conservation agriculture en krijgt steeds meer belangstelling in Nederland. Behoud van bodemleven (biodiversiteit) en bodemstructuur is een motivatie achter deze werkwijze.

De toepassen van niet kerende grondbewerking vraagt enig puzzelwerk van de ondernemer. Het kan een vervolgstap zijn op gecontroleerde besturing (rijpadenteelt of GPS-besturing), maar ook ingepast in een minder intensief bouwplan. Hoe het systeem past in een teeltplan met veel rooigewassen is een onderzoeksvraag binnen BASIS. BASIS staat voor Broekemahoeve Applied Soil Innovation Systems en volgt de effecten van minimale grondbewerking in vergelijking met ploegen.

Van diepe naar oppervlakkige bewerking
Voor de teelt van rooigewassen is het noodzakelijk de bodem vooraf intensief te bewerken. Zodra de bodemstructuur goed ontwikkeld is, kan de bodembewerking oppervlakkiger en extensiever worden. Een veel toegepaste volgorde is:

  • Voor zwaarder bodems direct na oogst de diepste bewerking, zeker indien het land is beschadigd bij de oogst;
  • Voor lichtere bodems kan ook voor een nieuw gewas dieper worden bewerkt;
  • Als voorbereiding voor de nieuwe teelt kan tot 20 cm worden losgetrokken;
  • Voor het aanleggen van een zaai- of plantbed is een oppervlakkige bewerking die de grond vlak legt noodzakelijk.

Voor de diepere bewerking kunt u met 6 tanden op 3 meter inzetten. Voor het losmaken van de grond voor een rooigewas als aardappel zijn voor zwaardere gronden meer tanden nodig. Op lichtere gronden kan vaak met 4 tanden per 3 meter worden volstaan. Voor de oppervlakkigere behandelingen zijn cultivatoren waarbij de tanden zijn verdeeld over twee balken het meest geschikt. Een risico bij deze bewerkingen is dat gewasresten voor verstoppingen zorgen. Dit is te voorkomen door gewasresten of groenbemesters te verkleinen en gelijkmatig te verspreiden.

Nadelen
Het behoud van biodiversiteit en niet onderploegen van gewasresten heeft soms ook nadelen. Zo kunnen slakken goed overleven op aanwezige gewasresten. Door het verhakselen en mogelijk inwerken van stro verteert deze sneller. Ook de keuze van groenbemesters heeft invloed op de populatie slakken. Gele mosterd geeft minder aanleiding voor uitbereiding van slakken dan bijvoorbeeld rogge of gras. Slakken worden ook bestreden door een oppervlakkige bewerking in februari of maart. Maar dit is vanwege natte of bevroren grond niet altijd mogelijk. 

Klik hier voor meer informatie over niet kerende grondbewerking op de Biovelddag 9 juli 2009.

Klik hier voor Biokennisbericht Akkerbouw & vollegrondsgroente, nummer 15.